Intro
We kunnen de grondhouding zien als een operationalisatie van de vier waarden van het Toekomstscenario1 : gezinsgericht, rechtsbeschermend & transparant, eenvoudig en lerend. Al deze waarden zijn belangrijk. En zeker ‘gezinsgericht’ en ‘rechtsbeschermend en transparant’ vragen veel in het werken met gezinnen die te kampen hebben met huiselijk geweld. Het willen zien van het geweld, het werken met gezinsleden die onderling strijdige informatie geven, die verschillende wensen, belangen en rechten hebben, en waarvoor het inzetten van beschermingsinterventies aan de orde is, zijn belangrijke onderdelen van het werken aan directe en stabiele veiligheid. Dit kan zomaar strijdig lijken met deze waarden.
We zien relationeel werken2 als de basis van onze grondhouding en dus de basis van onze werkrelatie met de verschillende leden van het gezin. Relationeel werken betekent dat professionals verbinding aangaan met zowel volwassenen als kinderen, moeder en vaders, slachtoffers en plegers. Ook in de situatie van ernstig geweld en bij de inzet van beschermingsinterventies. Als professionals verbinden we ons langs twee lijnen met de verschillende individuen in een gezin: we verdiepen ons in de aard en ernst van het geweld, en we verdiepen ons in de individuen en hun leefwereld.
Het belang
Als we de grondhouding onvoldoende in praktijk brengen, halen vakkennis, methodisch werken en het inzetten van hulp en bescherming weinig uit3. In de beroepscode staat al veel omschreven wat betrekking heeft op onze grondhouding. In dit handelingskader voegen we daarop enkel toe c.q. gaan we dieper in op wat van belang is bij huiselijk geweld.
Onderstaande grondhouding is niet vanzelfsprekend. We zijn allemaal het product van onze opvoeding, onze samenleving en het huidige stelsel en we hebben dus allemaal te groeien in ons vakmanschap.
- Visiedocument Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. (2023).
- Baart, A. (2025). Iemand voor iemand – Handboek presentie.
- Baart, A., & den Bakker, J. (2018). De ontdekking van kwaliteit. Theorie en praktijk van relationeel zorggeven. B.V. Uitgeverij SWP.
Onderkennen van geweld
We zijn bereid tot het onderkennen van het geweld: het in het hier en nu helpen stoppen van het huiselijk geweld is altijd ons eerste doel. Daartoe zijn we bereid en in staat het geweld op een concrete en respectvolle manier uit te vragen en het met de verschillende leden van het gezin onder ogen te zien. We sturen in de verschillende fasen van GSV mee op de prioriteiten van de verschillende volwassenen en kinderen en houden deze vast. We zijn vasthoudend en activistisch in het helpen realiseren van de eerste oplossingen, het betrekken van hulp en het inzetten van beschermingsinterventies. Vasthoudend om bij leden van een gezin te blijven, huiselijk geweld is verdrietig en beangstigend en niet alles is maakbaar. Activisme en professionele moed zijn nodig om eerste oplossingen, hulp en bescherming te realiseren op maat van de altijd unieke vraag van gezinsleden en niet primair te denken vanuit bestaand hulpaanbod of daarin mee te gaan.
Relationeel werken
We werken relationeel: we staan naast de verschillende volwassenen en kinderen. Wie het ook is en wat er ook gebeurt. We luisteren en we hebben een actieve inbreng. We ondersteunen bij de individuele doelen en we normeren ten aanzien van het geweld. Als professionals kennen we de verschillende geweldspatronen en de veranderlijkheid ervan. We verkennen en onderkennen de machtsverschillen en bepalen mede op basis daarvan onze positie ten opzichte van de verschillende leden van het gezin. We weten dat individuen meer zijn dan slachtoffers of plegers. We ondersteunen bij het verhelderen en realiseren van datgene wat gezinsleden uiteindelijk belangrijk vinden en wensen.
Afgestemd en zorgvuldig handelen
We zijn afgestemd en zorgvuldig: we sluiten aan op de bewegings- en beslissingsruimte die de verschillende gezinsleden hebben ten opzichte van elkaar. We zijn open over ons handelen, passend bij de verschillende posities van partners en kinderen: waarom we bepaalde vragen stellen en acties inzetten, hoe we omgaan met het delen van informatie, welke bevoegdheden we wel en niet hebben en hoe we die inzetten. We zijn zorgvuldig in de omgang met informatie, het horen van alle perspectieven, hoor en wederhoor toepassen. We maken in het werk en de verslaglegging onderscheid tussen feiten en meningen. Het eventuele daadwerkelijk inzetten van bevoegdheden doen we enkel c.q. altijd op basis van zorgvuldige professionele oordeelsvorming, vanuit een wettelijke grondslag c.q. na tussenkomst van een rechter of burgemeester en bespreken en markeren we altijd met gezinsleden. Altijd wordt de vraag gesteld of de hulp, waaronder ook een eventuele beschermingsinterventie schade toebrengt. Denk aan hulp die te lang op zich laat wachten, of de verwachting dat ingrijpen door de overheid schadelijker is dan niet ingrijpen.
Met praktische wijsheid
We handelen op basis van praktische wijsheid: we hebben kennis van zaken, werken in beginsel methodetrouw en volgen professionele richtlijnen. Tegelijkertijd kijken we telkens opnieuw naar een uniek gezin met hun unieke context en doen we wat in die situatie nodig is c.q. helpend lijkt. We beschouwen het als een vorm van vakmanschap om te reflecteren op ons eigen handelen. Als blijkt dat een actie anders uitpakt dan verwacht of gehoopt erkennen we dat en zoeken we samen verder. Als professionals onderkennen we daarbij de waarde van meerdere ogen en de grenzen van onze eigen deskundigheid. Waar en wanneer nodig betrekken we aanvullende expertise of hulp. We initiëren onderlinge samenwerking en vormen een team met en rond leden van een gezin. We waarderen elkaars rol en vakkennis en voegen afgestemd op elkaars werk toe.
Intro
Met grondhouding bedoelen we de innerlijke instelling die ons handelen aanstuurt en aan de buitenkant dus zichtbaar is in onze houding, blik en toon. Dat gaat over denken en voelen, maar bijvoorbeeld ook over onze morele positie en de identiteit die we bij ons werk willen aannemen. Idealiter biedt de grondhouding ons een innerlijk kompas, waarop we telkens opnieuw kunnen varen.
We weten dat wanneer we onze grondhouding onvoldoende in praktijk brengen, methodisch werken en vakkennis weinig uithalen1. Onze grondhouding is onze meest effectieve ‘interventie’. In de beroepscode(s) staat al veel omschreven wat betrekking heeft op grondhouding. In het handelingskader voegen we daarop enkel toe en in deze module gaan we dieper in op wat misschien wel het meest van belang is bij onveiligheid en huiselijk geweld: het hand in hand laten gaan van relationeel en normerend werken.
En geldt voor iedereen
We kijken naar relationeel en normerend werken primair vanuit het perspectief van de professional. Daarbij zoomen we in en uit, bijvoorbeeld van concreter naar meer abstract, van uitvoering naar beleid, van casus naar institutie, zie de groene tabel2. Onze grondhouding staat immers niet op zichzelf, maar moet ingebed zijn in onze praktijk en van alle collega’s: van bestuurder en manager tot gedragswetenschapper, professional en ervaringsdeskundige.
Totstandkoming
In beide dialoogversies van kerndocument – van september ’24 en oktober ’25 – staat de beoogde grondhouding beschreven. Beide teksten zijn met aandacht en zorgvuldigheid gemaakt en verschillen nogal. Die verschillen illustreren hoe het gesprek zich verdiept, hoe we toenemend grip menen te krijgen op de ontwikkeling die we met het Toekomstscenario beogen en welke grondhouding daar dus bij hoort. De verschillen illustreren ook dat het komen tot een beschrijving van een grondhouding niet gemakkelijk is. Dit roept de vraag op wat een grondhouding eigenlijk is, waaruit die bestaat en waarom we die voor dit specifieke werk op deze manier invullen.
Ten behoeve van deze verdieping is de betreffende ontwikkelgroep dit najaar aan het werk gegaan met Prof. Dr. Andries Baart, de grondlegger van de presentietheorie. Op basis van onder meer zijn presentietheorie3 en de theorie van Omer over verbindend gezag en nieuwe autoriteit4zijn we tot een ordening van acht dimensies c.q. kwesties gekomen, waarmee we recht menen te doen aan het in ons werk noodzakelijke hand in hand laten gaan van enerzijds helpen en anderzijds normeren en beschermen, zie voor toelichting de blauwe tabel. In gezinnen die te kampen hebben met onveiligheid c.q. huiselijk geweld, zijn beiden nodig. Recht doen aan beiden op een manier die gezinsleden helpt en die onszelf ook past is een terugkerende zoektocht.
Als ontwikkelgroep hebben we de acht kwesties (a), met gebruik van onze ervarings- en praktijkkennis, praktisch vertaald (b). Beschouw die vertaling als een illustratie en een voorbeeld van het eigen maken van de kwesties. We nodigen alle praktijken uit tot het voeren van het gesprek over die vertaling. De cursief gedrukte citaten (c) die de kwesties ook illustreren, zijn afkomstig uit de interviews met cliënten en professionals die het Verwey Jonker instituut heeft afgenomen in het onderzoek naar de proeftuinen5.
- Baart, A., & den Bakker, J. (2018). De ontdekking van kwaliteit. Theorie en praktijk van relationeel zorggeven. Uitgeverij SWP.
- Presentatie t.b.v. de ontwikkelgroep Grondhouding, A. Baart. (2025).
- Baart, A. (2025). Iemand voor iemand. Handboek presentie.
- Omer, H. (2011). Nieuwe autoriteit: Samen werken aan een krachtige opvoedingsstijl thuis, op school en in de samenleving. Amsterdam: Hogrefe/MoleMann.
- Steketee, M., et al. (2025). Op weg naar verbetering: Actieonderzoek Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
De beoogde ontwikkeling
Aan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming1 liggen vier waarden ten grondslag: gezinsgericht, rechtsbeschermend & transparant, eenvoudig en lerend. Deze waarden komen voort uit de doorontwikkeling van hulp en bescherming bij onveiligheid en huiselijk geweld die we als stelsel en daarmee ook als professionals willen realiseren. Onze grondhouding is een operationalisering van die waarden.
Ieders verantwoordelijkheid
Als samenleving en als individuen daarbinnen zijn we geneigd weg te kijken van huiselijk geweld. Huiselijk geweld maakt ons bang of verdrietig, vinden we confronterend, roept gevoelens van schaamte en onmacht op en kan ons boos, hard of cynisch maken. Desondanks willen we dat het stoppen van geweld de verantwoordelijkheid van ons allen is. Dat we samen bereid zijn onbevooroordeeld te kijken, vragen, normeren, te beschermen en te helpen. Met daarbinnen een bijzondere rol voor de professionals, voor wie het helpen stoppen van onveiligheid en huiselijk geweld het dagelijks werk is.
Vanuit een bijzondere balans
Dat werk vraagt om een bijzondere balans. Dat werk vraagt om een bijzondere balans. Enerzijds is het passend en nodig om naast de verschillende individuen binnen een gezin te staan: naast volwassenen en kinderen, mannen en vrouwen, slachtoffers en plegers. Om contact met hen te maken, te luisteren en door te vragen, te waarderen en te helpen, en hoop en perspectief te bieden. Anderzijds hebben we geweld te normeren door aan te geven dat onveilig gedrag onverantwoord, grensoverschrijdend, schadelijk en/of strafbaar is. We dienen de pleger verantwoordelijk te houden voor zijn of haar gedrag en te wijzen op de consequenties ervan voor de partner, de (eventuele) kinderen en het ouderschap. Dat normeren en ook beschermen, willen we vanuit verbinding en vertrouwen doen en niet onnodig autoritair of vanuit ‘geleende macht’.
“Ik denk toch echt dat de grondhouding het meest wezenlijke is van onze aanpak. Dicht bij het gezin staan, echt luisteren naar het gezin, echt horen wat het gezin bezighoudt, wat de oplossingen zijn waar zij mee uit de voeten kunnen en waar zij voor open staan. Ik merk dat we binnen de hulpverlening veel te veel gewend waren om te zeggen “dit is goed voor jullie en daar moeten jullie dan ook maar tijd voor vrij maken”. En dat merk ik nog steeds, dat als we gespecialiseerde jeugdzorg willen inschakelen, dan denk ik “jeetje jullie walsen zo over deze mensen heen die het zo moeilijk hebben en zo druk hebben”. (…) Een groot deel van de systemen die wij zien van de gezinnen/huishoudens zijn overbelast door de problemen die ze hebben. Eerst die basis leggen, we zien dat dat steeds meer overeenkomt met die top-3 methodiek. Dat eerst de toxische stress naar beneden moet, voordat je ergens komt met mensen. En door zo dicht aan te sluiten bij mensen, dat zijn wel de dingen die mij overeind houden. En je hoort het ook andere werkers zeggen, we hebben een flinke aanloop gehad met dit gezin en moeder vond dit ook heel moeilijk maar ze belt me nu zelf dat de stress weer op loopt en weer moeite heeft om van de drank af te blijven bijvoorbeeld. Dat ze zelf nu ook die signalen bij ons legt en niet de flessen blijft verstoppen en wegduikt. Nu weet je wat er echt speelt in het gezin. En die signalen krijgen we wel steeds meer. Mensen die echt tevreden zijn en aangeven “ik voel me echt gehoord en jullie hebben echt gezien hoe dit voor mij is. En ik snap dat er geen kant en klare oplossingen zijn”.
Werken met slachtoffers en plegers
David Mandel stelt dat we als maatschappij de diepgewortelde gewoonte hebben om plegers van geweld – vaak mannen c.q. vaders – te ontzien en slachtoffers – veelal vrouwen c.q. moeders – te beschuldigen van het onvoldoende beschermen van de kinderen. Voortkomend uit de nog steeds actuele stereotype beelden van de vader- versus de moederrol en uit het gegeven dat veel professionals zich beter toegerust achten op het werken met slachtoffers dan met plegers2.
Wij verwachten van alle professionals dat zij zowel naast gezinsleden staan als het geweld normeren. En dat zij deze bijzondere balans toepassen in het werken met elk lid van het gezin, niet in de laatste plaats de plegers. Waar het niet lukt de pleger te motiveren en zijn onveilige c.q. gewelddadige gedrag te laten veranderen, verplichten we onszelf om, aanvullend op onze eigen inzet op bescherming, normering en begrenzing, ook de strafkant te betrekken. Of er nu wordt gewerkt vanuit een lokaal team, een ‘regionaal veiligheidsteam’ (RVT), de sociale basis of de aanvullende zorg, het zorg- of het strafdomein: relationeel én normerend werken is onze gezamenlijke opdracht en gedeelde verantwoordelijkheid.
Het belang van concreet bevragen
Uit het rapport over systeemgerichte juridische interventies3 blijkt dat het grootste knelpunt dat de praktijk ervaart, het ontbreken van consensus is over wanneer dwang c.q. een beschermingsinterventie nodig is en op welke gronden. Ideologische overtuigingen, bijvoorbeeld dat een kind altijd recht heeft op contact met beide ouders of dat ouders gelijkwaardig zijn en hun (gewelds)problemen zelf en bij voorkeur samen moeten oplossen, leiden soms tot beslissingen die geen of onvoldoende rekening houden met (gevoelens van) onveiligheid en die de daadwerkelijke veiligheid ondermijnen. Een gedegen analyse van het gewelddadige gedrag en de daaraan ten grondslag liggende oorzaken – inclusief aandacht voor machtsverschillen, gendersensitiviteit en culturele factoren – is voorwaarde voor het verantwoord inzetten van dwang4. Dat vraagt om professionals die de onveiligheid en het geweld onbevooroordeeld en concreet bevragen, valide instrumenten gebruiken en hun hulp en bescherming op maat maken van de verschillende gezinsleden en hun belangen.
- Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming (2023). Visiedocument.
- Mandel, D. (2025). Stop met moeders de schuld geven en vaders negeren.
- Lünnemann, K. D. (2026). Als dwang noodzakelijk is om onveiligheid te doorbreken. Systeemgerichte juridische interventies bij geweld in gezinnen en intieme relaties. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
- Lünnemann, K. D. (2026). Als dwang noodzakelijk is om onveiligheid te doorbreken. Systeemgerichte juridische interventies bij geweld in gezinnen en intieme relaties. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Theoretische achtergrond
Om te komen tot onze beschrijving van relationeel en normerend werken, fundament voor onze specifieke opdracht van het direct en duurzaam helpen stoppen van geweld, hebben we enkele samenhangende theorieën omarmd. Waarbij je zou kunnen zeggen dat relationaliteit ten grondslag ligt aan presentie en ook aan verbindend gezag.
Relationaliteit
De basis wordt dus gevormd door theorieën over relationaliteit1. Deze maken onder meer aannemelijk dat we, om goed te kunnen samenleven, de afhankelijkheid van elkaar moeten erkennen en dat de daarmee gepaard gaande kwetsbaarheid zorg en solidariteit vergt. Maar ook dat de relationele benadering in bijvoorbeeld het onderwijs, het sociale domein, de jeugdzorg, kinderbescherming, net als in het politiewerk en de forensische zorg, betere en meer duurzame resultaten oplevert en veel vaker aansluit bij de menselijke maat.
In het relationele denken worden mensen niet als losse individuen gezien, maar in hun context, in hun geschiedenis en met hun maatschappelijke posities, hun rechten en privileges (of het gebrek daaraan), en hun invloed en stem (vrouwen, kinderen!). Morele oordelen over wat goed en kwaad is, zijn zelden of nooit absoluut of rechttoe rechtaan; ze worden geformuleerd met inachtneming van de context. Of je regels en wetten werkelijk helemaal volgt, hangt mede af van wat er in de context op het spel staat. Regel is dus niet zomaar regel, en wet niet zomaar wet. Relationeel denken betekent ook dat je minder geïnteresseerd bent in het (goed) uitvoeren van afzonderlijke handelingen, dan in het voltrekken van integrale praktijken. Dus met al hun rafeligheid en complexiteiten, met hun vele registers (moreel, emotioneel, technisch, discursief) en waar feit en norm niet zo helder te scheiden zijn. Relationeel denken en handelen, richten zich graag op het alledaagse, de leefwereld, op het geleefde leven, op wat iets in de ervaring van de betrokkenen betekent en op wie maatschappelijk weinig aanzien geniet.

Dit beeld, zo onvolledig als het is, suggereert dat deze relationele benadering wel eens een grote relevantie kan hebben voor de situatie waarvoor dit handelingskaders is bedoeld en in elk geval betere papieren heeft dan het interventionisme. Om die reden kiezen we deze relationaliteit als basis van het werk en dus van de grondhouding van het werk. Een relationeel georiënteerde grondhouding (in bovenstaande zin) verschilt reusachtig van de grondhouding die in het teken staat van het maakbare (fiksen), gehoorzamen (regels) of individualisme (de contextloze enkeling). Ze sluit ook beter aan bij hoe werkers in het veld hun cases, hun moeilijkheden, afwegingen en intenties beschrijven.
Presentie
Presentie is de meer concrete uitwerking van deze relationele benadering en benadrukt dat hulp en bescherming alleen slagen als deze daadwerkelijk aansluiten. Daarmee bedoelen we niet (alleen) dat we luisteren, respectvol bejegenen en een (werk)relatie aangaan. Relationeel werken betekent dat we radicaal vanuit de betrekking sturen c.q. hulp en bescherming bieden. Het betekent dat we de ander zien en begrijpen in zijn of haar gezin en andere verbanden, dat we een afgestemde relatie aangaan die meer is dan een instrument, dat we de relationele kennis als vertrekpunt nemen voor alle keuzes en dat we relationeel nagaan of onze hulp en bescherming goed uitpakken of bijsturing behoeven. De relationaliteit die de presentiebenadering ontplooit, regelt, bepaalt en beperkt wat er gaat gebeuren. Het is niet slechts een strategie c.q. een middel tot een doel. Doen we aan presentie, dan denken we radicaal vanuit en met de ander en bieden van daaruit hulp en bescherming. Kort samengevat en enigszins vrij vertaald betekent presentie dat we de ander daadwerkelijk zien in zijn of haar situatie en geschiedenis. We zijn nabij. We sluiten aan bij de ander en richten ons op zijn of haar vraagstukken, problemen en kansen. We doen wat nodig is c.q. wat de ander werkelijk baat. We werken methodisch en vanuit vakkennis, maar van daaruit altijd op maat van ieders unieke situatie. Vakkennis wordt ingebed in relationeel werken. We normeren (op een relationele manier) gedrag, maar we veroordelen de persoon niet. We erkennen en waarderen beschermend gedrag. We schrijven de ander nooit af, we verdragen onze eigen onmacht en we blijven, ook als het moeilijk wordt.
Verbindend gezag
Verbindend gezag ofwel ‘nieuwe autoriteit’2 beoogt met gezag te handelen bij gedrag dat grensoverschrijdend, schadelijk, onacceptabel en/of strafbaar is. Zonder daarbij te autoritair of juist te toegeeflijk te zijn. Denk aan grenzen aangeven in plaats van ingrijpen. Aan verzet in plaats van strijd. Aan ‘het ijzer smeden als het koud’ is in plaats van ‘lik op stuk’. Aan vastberaden volhouden in plaats van willen winnen. Het gaat om het besef dat onveiligheid en huiselijk geweld vraagt om relationeel werken van waaruit er ook wordt genormeerd. De varianten van Omers theorie die we kiezen verwijzen naar en steunen expliciet op presentiebeoefening, zie de zwarte heen-en-weer gaande pijl in Figuur 1. Onderstaande Figuur 2 vat de beschreven samenhang kernachtig samen.

Werken vanuit zowel presentie als gezag klinkt voor sommigen misschien vanzelfsprekend en voor anderen juist onwenselijk of utopisch. Ons inziens is deze basis voor onze grondhouding niet evident maar wel noodzakelijk in het werken met gezinnen waar geweld speelt. Als professionals vinden we onze bescherming soms in afstand in plaats van nabijheid, in begrenzing in plaats van beschikbaarheid, in protocollen in plaats van maatwerk en in het stokje overgeven in plaats van blijven. Onze hulp en bescherming worden alleen dan effectiever als we groeien in een grondhouding van relationeel en normerend werken, zoals verbeeld in het kwadrant rechtsboven. En als we in staat zijn op maat van de situatie van ieder gezin te pendelen tussen de uitersten en zo recht te doen aan beiden.

- De omschrijving van zowel relationaliteit als presentie zijn ontleend aan het werk van Baart. Iemand voor iemand. Handboek Presentie, Baart, 2025; Baart, A., & den Bakker, J. (2018). De ontdekking van kwaliteit. Theorie en praktijk van relationeel zorggeven. Uitgeverij SWP.
- Omer, H. (2011). Nieuwe autoriteit: Samen werken aan een krachtige opvoedingsstijl thuis, op school en in de samenleving. Amsterdam: Hogrefe/MoleMann.
Grondhouding in acht dimensies
Zoals weergegeven in figuur 3 heeft de grondhouding die ons het meest geëigend lijkt acht dimensies. Die dimensies stemmen overeen met acht kernkwesties in de professionele praktijk die vragen om een helder en doenlijk antwoord: hoe ga je daar bij voorkeur mee om? De antwoorden op die vragen zijn telkens tweeledig, omdat we recht willen doen aan het hand in hand laten gaan van relationeel en normerend werken. Ze bevatten dus een ‘relationele’ component (witte labels in de figuur) en een ‘autoritatieve’ component ofwel een gezag uitoefenende component (rode labels in de figuur). Het geheel – dimensie, kwestie, antwoord – vormen samen onze invulling van de grondhouding.
We werken deze onderstaand uit door de acht dimensies uit te werken: (a) wat is de kwestie, (b) wat is onze praktische vertaling en soms ook (c) wat zeggen gezinnen hierover.
- Presentatie t.b.v. de ontwikkelgroep Grondhouding, A. Baart. (2025).
Dimensie 1: Gezindheid
(a) We weten uit de praktijk en uit onderzoek dat de professionals in dit werk een diepe innerlijke overtuiging moeten hebben om het werk met wijsheid en standvastig te kunnen doen. De basis van de grondhouding is het geheel van waarden, overtuigingen en motivatie die samen onze ‘gezindheid’ uitmaken. Daarin komen samen waar het in onze werksoort om draait, wat we met elkaar menselijk vinden en wat ik als professional waardevol vind om me voor in te zetten. Op het niveau van het werk gaat het erom dat geweld wordt beëindigd, slachtoffers beschermd worden en er recht wordt gedaan aan de betrokkenen. Daar ligt de mensvisie onder dat elk mens kostbaar is, maar tegelijk ook een mengsel van goed en kwaad (en dus niet zomaar of het een of het ander) en daarom geholpen moet worden waar mogelijk opnieuw te beginnen. Precies dit onderschrijft de professional: “ja, zo is dat, het is goed om daaraan te werken en ik wil en kan me daarvoor inzetten”. Die waardengerichtheid is de eerste dimensie van onze grondhouding.
(b) Ik vind dat wie het slachtoffer is van huiselijk geweld het recht heeft op bescherming, dat het onveilige c.q. gewelddadige gedrag gestopt moet worden en dat er ruimte moet zijn voor herstel van de geleden schade en doorgaan met het leven. Vanuit het principe van menselijke waardigheid vind ik het belangrijk dat plegers de kans krijgen de schade die zij hebben toegebracht te erkennen, waar mogelijk te herstellen, en hun gedrag te verbeteren. Ik ga uit van de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en dat ze op gelijke wijze aanspreekbaar zijn op de veiligheid van hun partner en de (eventueel) aan hun zorgen toevertrouwde kinderen. Ik ga uit van de gelijkwaardigheid tussen volwassenen en kinderen en geef de kinderen dus altijd stem. Ik ben ervan overtuigd dat ik vanuit mijn menszijn en mijn waarden, mijn opgebouwde kennis en ervaring en gesteund door het Handelingskader van het Toekomstscenario hieraan kan bijdragen.
(c) “Je hebt elkaar hierin nodig als gezin en hulpverlening”.
Dimensie 2: Richtingsgevoel
(a) Mijn betrokkenheid mag niet ongericht of vrijblijvend zijn, maar vraagt om toespitsing, concretisering en is doel zoekend over wat we moeten aanpakken. Ik moet linksom of rechtsom in de concrete situatie altijd de vraag beantwoorden: ‘wat staat me hier te doen, gegeven onze waarden en overtuigingen (dimensie 1), wat vind ik relevant om te doen?’ Ik moet dus kunnen én willen pendelen tussen ‘hoge principes’ aan de ene kant en ‘concrete, complexe situaties’ aan de andere kant. Ik mag geen van beide uit het oog verliezen. Daarbij spelen moeilijke vragen: ‘wat betekent beschermen hier, wat is recht doen in deze situatie?’ Ik moet dus ‘afdalen’ wat ons werk uiteindelijk wil, via ons beleid naar de concrete praktijk en dan besluiten: dit is dus wat hier en nu van mij gevraagd wordt, dit is wat me te doen staat en dááraan ga ik toegewijd werken. Dat vinden van die concrete richting en toewijding is de tweede dimensie van de grondhouding.
(b) Mijn inzet is doelgericht en onderbouwd en ik kan dit uitleggen aan degenen met wie ik samenwerk. Ik streef in samenwerking met de volwassenen en kinderen in het gezin, hun netwerk en andere betrokken professionals naar een gedegen en gedeelde analyse en het realiseren van achtereenvolgens directe en duurzame veiligheid en persoonlijke groei. Ik weet waarom dat de methodische richtsnoer is voor de aanpak van huiselijk geweld en onveiligheid binnen mijn organisatie en voor de samenwerkende organisaties in het werkveld. Ik weet dat ieder gezin en alle individuen daarbinnen uniek zijn. Er zijn geen standaard antwoorden of oplossingen, maar enkel telkens opnieuw overwogen volgende stappen. Ik sluit aan bij het recht op bescherming en veiligheid van volwassenen en kinderen en bij de wijzen waarop zij dat willen realiseren. Ik sta hier achter en ik wil hierin lerende blijven.
Dimensie 3: Benadering
(a) De derde dimensie van de grondhouding vertrekt vanuit de tweede. Daar is de vraag beantwoord ‘wat’ er gedaan moet worden en zo meldt zich de vervolgvraag: ‘hoe’ kan dat het best gedaan worden? De meest geëigende aanpak vinden – in deze situatie, met deze mensen en gegeven de beschikbare middelen – moet ter plekke gebeuren. Dus niet autoritair, van buitenaf, over de hoofden heen of stiekem. Ik wil relationeel te werk gaan, aansluiten en afstemmen en moet dus ter plekke leren én durven zeggen: ‘zo wel en zo niet’. Ik wil dat wat we doen bovendien proportioneel is (aan menselijke maat, niet groter of harder dan nodig) en andermans autonomie voedt en in stand houdt (niet verafhankelijken of klein houden). Dat vraagt om enerzijds radicaal relationeel navigeren en anderzijds gezag opbouwen en met gezag te werk gaan. Je moet dat durven en willen. Je mag niet omvallen noch eenzijdig worden. Dát is de derde dimensie: ik zoek ter plekke uit wat passend is om op welke wijze te doen (relationeel) en werk daar dan ook standvastig aan (gezag). Het gaat niet om de blinde toepassing van waarden en doelen en ook niet om mij, maar het gaat erom dat de opgaven waarmee de betrokkenen worstelen weggenomen of verlicht worden. Het moet hun baten en goed doen.
(b) Als professional ben ik nabij, begin met contact maken en bouw dat zoveel mogelijk uit tot een relationele werkwijze. Ik weet dat ieder gezin uniek is en neem de tijd elkaar te leren kennen. Ik vertrek vanuit de situatie en problemen van de ander en ben tegelijkertijd ook helder over ons gedeelde doel: het helpen stoppen van onveilig gedrag c.q. huiselijk geweld. Dit doe ik met een prettige, betrouwbare, oprechte houding die openstaat voor het gesprek met elk gezinslid en vanuit de analyse die wij samen maken. Ik sluit aan bij de reeds betrokken hulpverlening en werk met hen samen zodat er een professioneel, relationeel netwerk om het gezin heen staat. Ik stimuleer en geef ruimte aan een ieder om eigen behoeften te bespreken en volgen. En geef ook grenzen aan waar het gaat om het maken en nakomen van de afspraken over de directe en duurzame veiligheid van alle gezinsleden. Vanuit deze instelling laat ik mensen merken en weten mensen dat zij ertoe doen. Dat ik hun situatie wil begrijpen, wil helpen verbeteren en kan samenwerken vanuit maatwerk. Daarbij zorgen mijn vakkennis en gespreksvaardigheden voor een open en eerlijk gesprek waarbij ik ook duidelijk ben over de veiligheid die gerealiseerd dient te worden en welke maatregelen kunnen volgen als we die onvoldoende realiseren. Ik stimuleer mensen in hun eigen kracht en autonomie. Het is voor mij belangrijk dat mensen ondersteund worden, zodat ze goed verder kunnen. Ik zorg voor relationeel afgestemde sturing en balans in de weg ernaartoe door nabij te zijn, goed benaderbaar en flexibel om gaandeweg aan te passen waar wenselijk. Ik durf met het gezin van koers te veranderen als dat de juiste weg lijkt en af te wijken van protocollen zodat deze werkbeschrijvingen ondersteunend en niet leidend zijn. Daarbij doe ik wat er nodig is om te ondersteunen dat gezinsleden zelf hun doelen bereiken en in het beste geval weerbaarder worden voor een volgende situatie die kan leiden tot stress/huiselijk geweld. Als ik afwijk, ben ik bereid daar verantwoording over af te leggen.
(c) “Kijken wat je zelf aan mogelijkheden hebt, hoe mensen van buitenaf naar de situatie kijken, dit begrijpbaar maken voor ouders, zodat ze het snappen en kunnen pakken”
Dimensie 4: Inzicht
(a) Hoge principes, goede bedoelingen en duidelijke voornemens zijn onvoldoende. Ik moet ook de bescheidenheid bezitten om me af te vragen: ‘begrijp ik er wel voldoende van om wat goeds uit te kunnen richten?’ Dat is de vierde dimensie van de grondhouding: weten dat je het misschien niet zo goed weet, dat je (meer, andersoortige) kennis nodig hebt – van gezinsleden of hun netwerk, van ervaringsdeskundigen, van ervaren collega’s of experts. Ik wil liever begrijpen hoe het werkt en wat ik kan doen, dan gewoon doen wat we altijd al doen. Ik moet open durven en kunnen staan voor onverwachte inzichten en deze niet terzijde schuiven, maar onderzoeken en ter harte nemen. Ik wil fiducie kunnen hebben in wat we doen en dat het gaat werken. En tegelijk moet ik beseffen dat de ‘waarheid’ niet bestaat: inzichten van allerlei aard moeten ingebed worden in de relationele werkwijze en zo geconfronteerd worden met wat ter plekke kan werken, geldt en behulpzaam is.
(b) Ik vind het belangrijk dat ik voldoende geschoold ben om de twee geweldsdynamieken, de verschillende verschijningsvormen van geweld en de aan de onveiligheid onderliggende oorzaken te herkennen om met hulp daarvan met wijsheid te handelen, dan wel de juiste expertise te betrekken. Ik realiseer me daarbij dat ieder individu en ieder gezin uniek is, ik altijd vanuit hun context werk en radicaal stuur vanuit de relatie. En ik realiseer me dat die context van het gezin meervoudig, intergenerationeel en dus veelomvattend is. Mijn vakkennis is een fundament onder mijn handelen waar ik telkens weer zoekend, creatief, soms de plank misslaand en opnieuw proberend, en altijd op maat van het gezin gebruik van maak. Gebaseerd op de verlangens en doelen en de veer- en draagkracht van die verschillende individuen, met de snelheid die het individu kan dragen en met altijd aandacht voor en zo nodig handelen op de acute of directe onveiligheid.
(c) "Vertragen en verdragen vraagt altijd meer van jezelf dan direct ingrijpen en doorpakken."
Dimensie 5: Nabijheid
(a) De grondhouding heeft ook betrekking op hoe ik me als professional opstel – het gaat niet alleen over inzichten. Als ik relationeel werk, moet ik dichtbij willen komen. Maar als ik dichtbij kom, moet ik wel mijn roer recht houden en mét afstand naar mijn werk en mezelf kunnen kijken. Ik wil niet op afstand gaan maar dus met afstand dichtbij komen. Ieder gezin heeft zijn eigen ritme, logica en snelheid: ik moet meebewegen, maar niet met alle winden ‘mee waaien’. Ik moet meebuigen en tegelijk ombuigen. Ik moet bestaande grenzen respecteren, maar tegelijk grensverleggend zijn: niet doorgaan op oude voet. Het leed dat ik zie, mag me aangrijpen. Maar ik moet standvastig mijn professionaliteit blijven uitoefenen. Dat is de balans tussen echt-zijn en een rol vervullen. Beide zijn nodig. Mijn werk bestaat vooral uit balanceren en verstandig ‘doormodderen’ en daarbij koersvast en waakzaam inschikken, bijsturen en stug doorgaan. Ik kan alleen van waarde zijn als ik voor de betrokkene vindbaar, stoorbaar en beschikbaar ben. Hoe strak georganiseerd we ook moeten werken, voor wie er echt in vastzit, telt alleen of er iemand is die je aan de mouw kunt trekken en die daadwerkelijk met begrip en aandacht nabij wil zijn als het erop aankomt. Zie hier de vijfde dimensie van de grondhouding: ik wil nabij zijn, met compassie en vindbaar. En tegelijk weerstand kunnen bieden met gezag, nee zeggen tegen onveilig c.q. gewelddadig gedrag en kunnen ombuigen wat zo niet verder moet gaan.
(b) Ik luister met oprechte aandacht naar de gezinnen waar ik mee werk, ik bezoek hen in hun eigen omgeving, kijk met een open blik naar hun leefgewoonten en normen en waarden, werk zoveel mogelijk samen en ben eerlijk en duidelijk in wat zij van mij wel en niet kunnen verwachten. Ik zorg voor passende nabijheid wanneer nodig en doe dit conform mijn rol. Ik durf gebruik te maken van functionele zelfonthullingen. Ik kan mijn houding en gedrag aanpassen aan de doelstellingen van het gezin en blijf hierbij authentiek.
(c) "Ik heb dagelijks contact met X. Zodra er iets gebeurt, hebben we contact met elkaar: (…) Zij kent alle situaties."
Dimensie 6: Normering
(a) Het is duidelijk dat de grondhouding ook een moreel kompas bevat. Wat ik doe is meer dan technisch (wat werkt, wat is efficiënt en haalbaar?); het vraagt ook voortdurend om morele afwegingen (wat is juist?). Ik wil niet zomaar “mijn ding doen”, maar dat wat ik doe moet verantwoord zijn. Ik wil óók als professional moreel deugdelijk handelen, zeker waar ambivalenties, tegenstrijdigheden en verscheurdheid heersen. Ik moet beschikken over een goed moreel aanvoelen en een ontwikkelde morele verbeelding. Die twee helpen mij te begrijpen wat er (bij de ander) op het spel staat, waar grenzen liggen en wat er zou gebeuren als ik niets of te weinig doe. Het gaat mij niet om hoe het uiteindelijk afloopt met mijn cliënten, maar ik moet scherp zijn op hoever ik ga, waar grenzen liggen en wat wenselijk of zelfs geboden is om te doen. Drie zaken helpen mij daarbij enorm: praktische wijsheid leert mij in complexiteit, systeemdruk, routines en onoplosbare dilemma’s te zien wat goed is om te doen én het besluit te nemen dat daadwerkelijk te gaan doen (ik laat het niet op zijn beloop), moreel beraad helpt mij in overleg met anderen helderheid te scheppen in morele problemen (ik laat het niet bij wat mij persoonlijk goed lijkt) en mijn eigen deugden, zoals moed, standvastigheid, compassie en respectvolle terughoudendheid, vullen mijn zakelijke competenties aan. Dit is de zesde dimensie van de grondhouding: de vaste wil om moreel juist te (leren) handelen.
(b) Als professional werk ik vanuit de vier waarden van het Toekomstscenario: gezinsgericht, rechtsbeschermend en transparant, eenvoudig en lerend. Ik ken en onderschrijf het Handelingskader, c.q. het methodisch richtsnoer van gefaseerd samenwerken voor veiligheid, en handel van daaruit op maat van de altijd unieke vragen van gezinsleden, relationeel en met praktische wijsheid. Ik streef ernaar moreel deugdelijk te handelen, zeker waar rechten, belangen of wensen van gezinsleden tegenover elkaar lijken te staan of dreigen te worden geschaad. Bij dergelijke kritieke beslismomenten draag ik zorg voor zorgvuldige en navolgbare oordeelsvorming, met de verschillende gezinsleden en andere betrokkenen, waar nodig in de vorm van een moreel beraad.
(c) “Als dit niet gebeurt, dan ondermijnt dit het vertrouwen in de hulpverlening snel. Altijd terugkoppelen is belangrijk voor betrouwbaarheid. Als je hebt afgesproken dat je iets regelt, terugkoppelen wat daaruit is gekomen. Zeggen wat je gaat doen en doen wat je zegt.”
Dimensie 7: Macht
(a) De grondhouding gaat ook over de vraag of je wilt domineren of bereid bent in te schikken. De literatuur over gezag laat steeds weer zien dat velen, wanneer het heel moeilijk wordt, verlangen naar macht: de ander kunnen stoppen, het zwijgen opleggen, de tent uit sturen of tot andere gedachten dwingen. Daarvoor heb je ‘brute macht’ nodig, die slechts heel kort werkt, maar soms onmisbaar is. De kunst is echter met gezag tussenbeide te komen. Dat gezag moet je verdienen; je hebt het dus niet van meet af aan tot je beschikking, zoals macht. Gezag is een relationele kwaliteit: je krijgt het van anderen. Wie met gezag opereert, heeft een draagvlak, bereikt iets wat duurzamer is en zonder geweld werkt. Met gezag worden jij en je boodschap gerespecteerd, met macht gevreesd. Als je kiest voor gezag, moet je bereid zijn je macht (om te sturen en beslissen) zéér terughoudend in te zetten en waar mogelijk te delen. Je moet afstemmen en zo nodig inschikken zonder onverschillig, toegeeflijk of autoritair te worden. Je luistert niet slechts naar wat de betrokkenen willen, maar beseft dat je ook een maatschappelijke opdracht hebt: de zorg voor het goede leven met elkaar, waarin het amper gaat over jou, je persoonlijke voorkeuren, geduld of aanzien. Bovendien reken je het tot je taak om wie niet gehoord wordt een stem te geven, wie niet gezien wordt in het licht te zetten en wie geminacht wordt het volle pond te gunnen. En dat is de kern van deze zevende dimensie van de grondhouding: bereid zijn in te grijpen en tegelijk de ander – zichtbaar of niet – tot zijn recht te laten komen, zoveel mogelijk af te zien van macht en geweld en met gezag samen aan de problemen en hun oplossingen te werken.
(b) Als professional handel ik vanuit bewustzijn van mijn eigen macht en de machtsongelijkheid. Evenwaardigheid is mijn vertrekpunt, niet mijn doel. De volwassenen en kinderen binnen het gezin en hun grotere omgeving staan centraal. Als professional stel ik mij terughoudend en bescheiden op. Ik gebruik mijn macht rechtvaardig en emancipatorisch, door alle perspectieven te begrijpen en stem te geven aan wie die zelf niet of onvoldoende kan laten horen. Van daaruit normeer ik ook gewelddadig gedrag van plegers. Besluitvorming gebeurt zoveel als mogelijk gezamenlijk door leden van het gezin en professionals met gelijke ruimte voor betrokkenheid en bewustzijn van de ongelijke machtspositie.
(c) "Je legt het gedrag meer terug bij de ouders. Je beslist veel meer samen. Ik zeg vaker, ‘dit is mijn professionele mening, maar jij mag ook een andere mening hebben.’ Die leggen we naast elkaar en we schetsen keuzemogelijkheden."
Dimensie 8: Perspectief
(a) De achtste dimensie van de grondhouding roept op om af te zien van onnodige algemeenheden, abstract gepraat en versimpelingen. Dat zijn precies de hebbelijkheden van experts: ze neigen ertoe het beter te weten en dan een taal te gebruiken die zich verre houdt van de werkelijkheid die mensen dagelijks aan den lijve meemaken. Het gaat er echter om dat je bereid bent je te wenden tot en te kijken vanuit het leven zoals het daadwerkelijk geleefd wordt. Dat is een heel andere manier van benaderen: je kijkt van binnenuit, vanuit het chaotische leven zoals het zich in feite voltrekt, met alle groezeligheden en ambivalenties die zich daarin voordoen. Het vergt de lenigheid om je te verplaatsen in anderen, in hun logica en hoe zij voorvallen duiden en beleven. Natuurlijk laat je je daarbij niet meesleuren, blijf je kritisch en stel je vragen. Het helpt als je je vertrouwd maakt met dat leven, want zolang jij een buitenstaander bent en dat een vreemde en angstwekkende wereld is, zul je er waarschijnlijk onhandig mee omgaan. Je moet dus een lerende houding hebben, in dit geval niet opgevat als de bereidheid om nog een congres te bezoeken of een dikke turf te lezen, maar als het leren van gevallen, van verhalen van betrokkenen en van ervaringen in het veld. En dat is de essentie van deze dimensie van de grondhouding: je niet als expert of betweter verheffen boven het geleefde leven en dat dichtplakken met deskundologische labels, maar streven naar een levensecht beeld van hoe het is om zo te moeten leven. Bereidwillig een beeld van binnenuit ontwikkelen dus, en daarbij kritisch en waakzaam blijven.
(b) Ik ben oprecht nieuwsgierig naar de belevingswereld van de gezinnen waarmee ik werk, heb aandacht voor hun geschiedenis, culturele achtergrond en de context waarin het gezin zich begeeft. Ik maak gebruik van de ervaringskennis die het gezin daarvoor zelf al heeft en/of van de ervaringskennis van mezelf of die van anderen. Ik probeer me niet alleen te laten leiden door wat ‘men’ vindt, maar te blijven denken vanuit de positie van het gezin en dan indien mogelijk gezamenlijk de hulp te bepalen.
(c) "Ik vind het belangrijk dat er een open en transparante omgeving is, waarin er ruimte is voor fouten en dat ik, of mijn gezin, hier niet op afgerekend worden."
Grondhouding samengevat
Onze beoogde grondhouding is verbeeld in ondergaande Figuur 3. De dimensies die we uitwerkten, overlappen en hangen nauw samen. Uiteindelijk draaien ze om de bereidheid toegewijd, maar kritisch relationeel en met gezag te werk te gaan. Dat vergt veel van ons als professionals, van openheid tot standvastig volhouden, van vakvrouw of – man tot gewoon mens zijn, van begrip hebben en willen leren. De grondhouding kan opgevat worden als een innerlijk instelling waarmee het werk vormgegeven wordt. Het gaat dus niet om een techniek, methode of protocol, maar het geheel van opvattingen en gevoelens dat het handelen in moeilijke en ambivalente situaties aanstuurt. In een wat bredere invulling van de grondhouding (die hier wordt gevolgd) omvat dit geheel, behalve denken en voelen, ook de morele positie, iemands ‘spiritualiteit’ (persoonlijke drive), de verbeelding die het doel oproept, de identiteit die je bij je werk wilt aannemen (wie wil je zijn voor de ander), en je fysieke of lichamelijke betrokkenheid, evenals je moed en je bescheidenheid en inschikkelijkheid, zonder slap te worden.

De geschetste grondhouding houdt het midden tussen enerzijds wat sommige professionals altijd al zo doen, doorgronden en kunnen uitleggen, en anderzijds een wenkend perspectief voor de komende jaren: hier moeten we heen en hieraan gaan we samen werken! Het is een hoog gegrepen ideaal, maar ook de blauwdruk van een lerende praktijk en onze deskundigheidsbevordering. Op de grondhouding moeten educatie, coaching en intervisie beschikbaar zijn. Deze versterken wat we als professionals nastreven, wat we wensen en wat ons concreet helpt om het in moeilijke omstandigheden goed te doen. Goede praktijken vragen veel meer dan de toepassing van uitvoeringsbeleid, protocollen of bewezen kennis. Onze grondhouding is het vermogen om deze serieus te nemen en er in de complexe praktijk vervolgens verstandig mee om te gaan.