Pijler 3 Grondhouding
Module Relationeel en normerend werken

Dimensie 2: Richtingsgevoel

(a) Mijn betrokkenheid mag niet ongericht of vrijblijvend zijn, maar vraagt om toespitsing, concretisering en is doel zoekend over wat we moeten aanpakken. Ik moet linksom of rechtsom in de concrete situatie altijd de vraag beantwoorden: ‘wat staat me hier te doen, gegeven onze waarden en overtuigingen (dimensie 1), wat vind ik relevant om te doen?’ Ik moet dus kunnen én willen pendelen tussen ‘hoge principes’ aan de ene kant en ‘concrete, complexe situaties’ aan de andere kant. Ik mag geen van beide uit het oog verliezen. Daarbij spelen moeilijke vragen: ‘wat betekent beschermen hier, wat is recht doen in deze situatie?’ Ik moet dus ‘afdalen’ wat ons werk uiteindelijk wil, via ons beleid naar de concrete praktijk en dan besluiten: dit is dus wat hier en nu van mij gevraagd wordt, dit is wat me te doen staat en dááraan ga ik toegewijd werken. Dat vinden van die concrete richting en toewijding is de tweede dimensie van de grondhouding.

(b) Mijn inzet is doelgericht en onderbouwd en ik kan dit uitleggen aan degenen met wie ik samenwerk. Ik streef in samenwerking met de volwassenen en kinderen in het gezin, hun netwerk en andere betrokken professionals naar een gedegen en gedeelde analyse en het realiseren van achtereenvolgens directe en duurzame veiligheid en persoonlijke groei. Ik weet waarom dat de methodische richtsnoer is voor de aanpak van huiselijk geweld en onveiligheid binnen mijn organisatie en voor de samenwerkende organisaties in het werkveld. Ik weet dat ieder gezin en alle individuen daarbinnen uniek zijn. Er zijn geen standaard antwoorden of oplossingen, maar enkel telkens opnieuw overwogen volgende stappen. Ik sluit aan bij het recht op bescherming en veiligheid van volwassenen en kinderen en bij de wijzen waarop zij dat willen realiseren. Ik sta hier achter en ik wil hierin lerende blijven.